Inventarisatie Octrooien Kennisinstellingen
Hester Tak on her internship at Octrooicentrum Nederland, July 2003
“Gedurende de periode januari - juni 2003 heb ik, als studente biomedische wetenschappen, SBB-stage gelopen bij de afdeling Kennisontwikkeling en Voorlichting van het Octrooicentrum in Rijswijk. Ir. P. H. van Dongen, account manager Universiteiten en Ing. D. van Harte, senior octrooiadviseur, beiden werkzaam bij het Octrooicentrum, hadden de leiding over mijn stage.
Het Octrooicentrum is een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken belast met de uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995 en het verlenen van voorlichting over octrooien, octrooirecht en -beleid aan wetenschappers, onderzoekers werkzaam bij universiteiten en HBO- instellingen, bedrijven in de sector Midden- en Kleinbedrijf en overheden.
Een octrooi biedt -in ruil voor het openbaar maken van de uitvinding- de octrooihouder het recht om derden de toepassing van de in het octrooi beschreven uitvinding te verbieden. In andere woorden, de octrooihouder krijgt de gelegenheid de uitvinding zelf exclusief te exploiteren of één of meer derden (tegen betaling) daartoe in staat te stellen. Deze exclusiviteit is nodig om investeringen gemoeid met de (verdere) ontwikkeling van de uitvinding tot een product te kunnen terugverdienen. De aanvraag en instandhouding van een octrooi alleen al brengen aanzienlijke kosten met zich mee. Een octrooi aanvragen is dus alleen interessant en rendabel als er een behoorlijke kans is dat de uitvinding met winst geëxploiteerd kan worden.
Opdracht Economische Zaken
In september 2002 heeft het Ministerie van Economische Zaken het Bureau I.E. verzocht om een onderzoek te verrichten naar de kennisoverdracht tussen universiteiten en bedrijven. Dit onderzoek wordt Inventarisatie Octrooien Kennisinstellingen (IOK) genoemd. Het ging er daarbij met name om om uitvindingen te traceren die (mede) waren gedaan door medewerkers van universiteiten maar waarop door bedrijven een octrooi was aangevraagd of later in eigendom verkregen. Dit kan afgelezen worden uit de octrooigegevens door na te gaan of op door bedrijven gehouden octrooien medewerkers van universiteiten als uitvinder staan vermeld. De aanname is dat in dergelijke gevallen in de regel van kennisoverdracht van universiteit naar bedrijf sprake is geweest.Universiteiten octrooieren ook zelf uitvindingen zonder dat daarbij direct een bedrijf betrokken is. Dan kan de kennisoverdracht plaatsvinden via licentieovereenkomsten. Dergelijke kennisoverdracht is in de octrooigegevens niet zichtbaar tenzij uit hoofde van de licentieovereenkomst het octrooi alsnog (mede)op naam van het bedrijf is gesteld.
Mijn werkzaamheden
Als basis voor het onderzoek heb ik een databestand aangelegd met alle namen van medewerkers van relevante bèta- en gammafaculteiten van de Nederlandse universiteiten. De namen van de medewerkers zijn verzameld aan de hand van de gids “Universiteiten en Onderzoeksinstellingen in Nederland”. Dit is een gids die jaarlijks wordt samengesteld door het Nederlandse Instituut voor Wetenschappelijke informatiediensten (NIWI) en uitgegeven is door de SDU. In deze gids staan de namen van (emeritius)hoogleraren en universitair (hoofd)docenten verbonden aan de universiteit.Nadat het basisbestand was aangelegd kon het onderzoek worden uitgevoerd door gebruik te maken van de elektronische databank EPODOC. Deze databank bevat octrooipublicaties en wordt gebruikt door onderzoekers (examiners) van het Bureau I.E. en het Europees Octrooibureau (EOB). De namen van medewerkers van universiteiten zijn ingevoerd in deze databank om na te gaan of zij vermeld staan in octrooipublicaties onder het kopje “Uitvinders”. Daarbij ging het om octrooiaanvragen die in de periode 1990-1999 waren ingediend.
Het onderzoek richtte zich op in de databank opgenomen basisoctrooien. Een basisoctrooi wordt gedefinieerd als de eerst ingediende octrooiaanvrage voor de uitvinding. Een basisoctrooi bestaat uit een prioriteitsdatum en -nummer, verkregen op het moment van indiening van de aanvraag.
Een prioriteitsdatum geeft een prioriteitsrecht, ook wel voorrangsrecht genoemd.
Gedurende het eerste jaar na de eerste indiening heeft de aanvrager het recht om zijn vinding ook in andere landen te beschermen. Wanneer de aanvrager in een ander land een aanvraag indient voor dezelfde uitvinding -een equivalente octrooiaanvraag-, zal de prioriteitsdatum van de eerste aanvraag worden gehanteerd. Er zijn ook aanvragen die voortborduren of gebaseerd zijn op een eerdere uitvinding, de zogenaamde afhankelijke octrooien. Equivalenten en afhankelijke octrooiaanvragen waren niet relevant voor het onderzoek -het gaat immers om het aantal uitvindingen- en werden uitgeselecteerd.
Na indiening van de octrooiaanvraag wordt de verleningsprocedure gestart. Ongeacht of er ook daadwerkelijk octrooirechten worden verleend, worden alle aanvragen gepubliceerd. De basisuitvindingen waarnaar gekeken is betreffen dus alle octrooiaanvragen die gepubliceerd zijn. Een gepubliceerde aanvraag hoeft dus niet altijd een verleend octrooi te zijn. De gegevens van dit onderzoek zijn dus niet geschikt om na te gaan om hoeveel verleende nationale octrooien het gaat.
Een discussiepunt was of A.I.O"s en O.I.O"s moesten worden meegenomen in het onderzoek. Het is immers niet ondenkbaar dat er tijdens een promotie nieuwe uitvindingen worden gedaan. Bij publicaties is het gebruikelijk dat de naam van de promotor wordt vermeld en het is aannemelijk dat hetzelfde zou gelden voor octrooiaanvragen. Wanneer er al wordt gezocht op naam van de promotor, zou het zoeken naar A.I.O.‘s en O.I.O.‘s waarschijnlijk tot dezelfde resultaten leiden. Zekerheidshalve is er een steekproef gedaan met 100 promovendi die dit beeld bevestigde.
De resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat in de periode 1990- 1999 in totaal 1611 octrooiaanvragen zijn ingediend gebaseerd op basisuitvindingen waaraan medewerkers van universiteiten hebben meegewerkt. Van de 1611 aanvragen staan 498 aanvragen (31%) op naam van universiteiten en 1113 aanvragen (69%) op naam van bedrijven.De kennisinstellingen werken grotendeels samen met bedrijven (86%) maar soms wordt er ook met andere kennisinstellingen (14%) samengewerkt.
Tevens blijkt uit het onderzoek dat 66 % van de samenwerking met bedrijven wordt verricht met Nederlandse bedrijven en 34% plaatsvindt in samenwerking met bedrijven met een hoofdvestiging in het buitenland.
Ten slotte is het interessant is om waar te nemen dat een groot deel van de medewerkers aan universiteiten die als uitvinder staan vermeld in een octrooiaanvrage, hun octrooi-ervaring hebben opgedaan in de periode dat zij werkzaam waren in het bedrijfsleven.”
Find more information on SBB internships and more SBB internship experiences on our website.


